Medailles van Rio blinken, maar sport moet aan zichzelf blijven werken

De ontwikkeling van de Nederlandse topsport in de afgelopen twintig jaar geeft alle aanleiding om met grote verwachtingen uit te kijken naar de Sportzomer van 2016, die zich grotendeels op het Olympisch podium van Rio de Janeiro afspeelt. Ik was vanaf 1996 met het Team de Mission van NOC*NSF nauw betrokken bij de nieuwe architectuur van de nationale topsport. Die leverde vier jaar later, bij de Olympische Spelen in Sydney, al meteen een record-oogst aan medailles op.

Door het beleid voortdurend te toetsen en aan te scherpen bleef het aantal medailles bij elk Olympisch toernooi toenemen en werd de rol van sport als inspiratiebron voor de maatschappij voortdurend versterkt. Voor veel sporten was het door de volleyballers uitgezette Bankras-model plotseling het voorbeeld voor een nieuwe koers. Individuele sporters putten hun inspiratie uit de weergaloze recordjacht van Pieter, Inge , Mark, Anky en Jeroen. Sven en Ireen waren een bron van inspiratie voor de wintersporters waar Sjinkie en Nicolien andere winterdisciplines aan toevoegden. In teamsporten excelleerden naast onze korfballers  de hockeyers/hockeysters en de waterpolosters.

Buiten de Spelen om was er in 2010 en 2014 het optreden van het Nederlands voetbalelftal die het land stevig in de ban hielden. Last but not least lieten Max en Tom zien dat er zich altijd weer nieuwe talenten aandienen aan het internationale sportfront.

Topsport is vanaf de pré Sydney-periode een geaccepteerd vak geworden, waarin coaching als een belangrijke factor is erkend om het verschil te maken. Wat dat betreft liggen de voorbeelden voor het oprapen met namen als Bart Bennema, Gerard Kemkers. Jac Orie , Giovanni Guidetti, Arno Havinga en Max Caldas en Jacco Verhaeren. Ook hier teveel om op te noemen. Marianne Timmer en Vera Pauw hebben samen met Marjolein van Unen het vak coachen ook in het vrouwen domein mede vormgegeven. We hebben een bijzonder coach collectief dat op eigen wijze dromen tracht te verwezenlijken. Zij hebben, mede doordat NOC*NSF heeft gekozen voor een focus op de medaillefabriek,  de omstandigheden gecreëerd om optimaal te presteren.

Daarnaast gingen in die flow de coaches mee die een onwrikbaar geloof in hun eigen ambitie hebben en gedwongen waren hun eigen pad te kiezen. Robin van Galen en Toon van Helfteren vertegenwoordigden de sporten: waterpolo en basketbal, die niet vooraan mochten staan bij de verdeling van de subsidiegelden, maar er desalniettemin in slaagden hun teams naar voren te schuiven op het internationale tableau. Het geeft aan dat door duidelijke keuzes te maken er positieve energie ontstaat bij mensen die ondersteund worden, maar ook bij mensen die niet ondersteund worden en zich daartegen niet afzetten maar zelf vorm geven aan hun ambities.

Het is een utopie te denken dat bij de huidige topsportontwikkelingen een klein land als Nederland, met 18 miljoen inwoners, structureel succesvol kan zijn, maar we kunnen langzamerhand wel vaststellen dat wij het kennis-, handel- en denkniveau van de top-acht van de wereld bezitten, zodat zo gauw een talent zich aandient voor een internationale doorbraak er niet eerst een systeem moet worden gevormd om te excelleren. Integendeel, de huidige infrastructuur biedt nieuwe uitblinkers de kans automatisch op het hoogste niveau aan te schuiven.

Dat de prestatiecurve van de Nederlandse topsport niet serieus heeft geleden onder de economische depressie van de afgelopen acht jaar bewijst in de eerste plaats dat er een sterk fundament is gelegd, maar ook dat sport fundamenteel NIET over geld gaat; geld is natuurlijk een prettige en onmisbare bijkomstigheid, maar sport is op zijn best waar de echte ambitie bovenkomt en waar de samenleving de verplichting heeft ondersteuning te verlenen. Dat geldt voor individuele medaillefabrieken, maar ook voor de collectieve en daarmee doel ik op de teamsporten. We hebben helden in de individuele sporters die Elfstedentochten winnen en olympische medailles behalen, maar we hebben ook de teamsporters in met name het hockey, handbal, volleybal en voetbal die laten zien hoe onze samenleving leeft en werkt om te presteren en vooral hoe ze verbonden wordt. Een uitdaging blijft bestaan voor de sport: hoe kunnen wij die vele niet in Nederland geboren landgenoten verbinden in en door de sport. In veel sporttakken bepalen ze reeds het gezicht (tafeltennis-baseball-voetbal-badminton-worstelen etc), maar de kracht van sport zou zich verder kunnen uitstrekken door een bijdrage te leveren aan de maatschappij van de toekomst.

De nadruk heeft in de topsport de afgelopen vijftien jaar gelegen op het steeds verder professionaliseren en bedrijfsmatig doorvoeren van processen uit het bedrijfsleven, aan de andere kant blijkt de sport steeds weer een geweldige inspiratiebron voor bedrijfsleven, maatschappij en  onderwijs. Sporters op hoog niveau gaan gemiddeld op hun 32ste met pensioen, dat maakt dat ze meestal maximaal tien jaar hebben om te oogsten. Daarin moet het voor hen écht gebeuren, want de sport biedt geen herkansingen. Dat maakt het tegelijk zo fascinerend. Sport laat zien hoe we in de Nederlandse samenleving omgaan met talent. Dat is terug te vinden op diverse prestatieniveaus, maar ook in het aangepast onderwijs, de LOOT-scholen, de CTO’s (Centra voor Topsport en Onderwijs) en RTC’s (Regionale TrainingsCentra). Het onderwijs biedt het systeem waarin de besten in hun sport vroegtijdig geselecteerd en geholpen worden om uiteindelijk de top te bereiken. Na afloop van de sportcarrière hebben ze een bijzondere entree in de samenleving.

De sport ontwikkelt zich steeds verder, maar tegelijk wordt haar imago op een aantal fronten ernstig bedreigd. Van Good Governance kun je na alle bestuurs- en dopingperikelen bij de wereldvoetbalbond FIFA en internationale atletiekfederatie IAAF niet meer spreken. Het toenemende financiële perspectief blijkt mensen aan te kunnen sporen tot match fixing, omkoping, malverserend besturen en tot de bereidheid van jonge, kwetsbare mensen om zich te laten bedienen van de meest maffe ingrediënten, doping dus.

Het is mijn overtuiging dat mensen uit de sport zelf niet in staat zijn deze schade te repareren. Hulp van externe instituten is nodig, want de problemen zullen nooit opgelost worden door de probleemmakers zelf. De banken hebben het over zichzelf afgeroepen onheil ook niet zelf op kunnen lossen. Om de volgende stap in haar ontwikkeling te maken en ‘de rommel’ op te ruimen zijn mensen uit andere domeinen nodig om te laten zien waar het beter kan en vooral móet, mensen uit misschien soms het bedrijfsleven, soms de kunst, soms de luchtvaart, soms de intensive care en soms ook de krijgsmacht voor de ultieme samenwerking in teams met een missie. De medailles van Rio blinken aan de horizon, maar er is ook ná Rio een mooi, zuiver en schoon sportleven voor ons allemaal, Sport en Bedrijfsleven.

Sprekers in dit artikel